Ik zal nooit ouder worden dan 65 jaar…
Als mijn moeder en ik tegenwoordig ergens samen binnenkomen, hoor ik vaak, hoe veel we op elkaar lijken. We moeten daar altijd om lachen, want behalve onze (geverfde) blonde haren en onze geboorteplaats Amsterdam, hebben we niets gemeen. Niet qua uiterlijk, niet qua karakter, niet qua houding. Mijn moeder en ik zijn echte tegenpolen.
Als kind was ik een echt vaderskindje. Mijn vader en ik deden alles samen. Hij leerde me zwemmen, en als ik paardreed, fietste hij naast me mee. We hadden dezelfde humor, hetzelfde karakter en zelfs dezelfde lichaamsbouw. Mensen zeiden vaak: “Ze loopt precies als haar vader,” of: “Kijk eens hoe nors ze kijkt, net als hij.” We waren allebei een soort einzelgängers: in een groep hadden we het hoogste woord, maar we genoten ook van rust en stilte. Mijn vader begreep mij, en ik begreep hem.
Toen mijn vader 60 werd, sloeg het noodlot toe. Op Valentijnsdag, de dag waarop we zouden vertrekken voor een gezamenlijke vakantie naar Oostenrijk, bleef hij opeens laat weg. De koffers stonden al ingepakt. We begrepen niet waarom hij zo lang wegbleef, totdat dat ene telefoontje kwam. Het telefoontje dat niemand ooit wil krijgen.
Mijn vader had een ernstig ongeluk bij de paarden. We haastten ons naar het ziekenhuis en daar beseften we dat ons leven voorgoed zou veranderen. Na een jaar van zware revalidatie in Heliomare kwam mijn vader thuis, in ons inmiddels aangepaste huis. De man die ooit groot en sterk was – 1.95 meter en 110 kilo – was nu een schim van zichzelf. Een gebroken ziel, afhankelijk van zorg. Toch gaf hij niet op. Zijn enige doel was om weer zelfstandig te worden en op zijn driewieler terug te keren naar de paardenstal.
Als vanzelfsprekend werd ik zijn mantelzorger. Mijn moeder runde de winkel, want er moest brood op de plank komen, en ik woonde met mijn twee kleine kinderen op de bovenverdieping. Het leven draaide om mijn vader. Langzaam maar zeker lukte het hem om zich op zijn driewieler te verplaatsen. Het gaf hem vrijheid, hoop, en een beetje zijn eigenwaarde terug. Maar dat geluk duurde niet lang. Tijdens een revalidatie sessie in het ziekenhuis, viel hij van zijn driewieler door een loszittend stuur. Hij brak zijn heup, kop en kom. Het begin van het einde.
Zijn herstel verliep moeizaam. Hij kreeg doorligplekken, een ziekenhuisbacterie en koortsen die hem telkens weer terug wierpen. Het werd hem steeds duidelijker dat hij nooit meer naar de stal zou gaan. Na vier jaar vechten was hij op. Mijn vader wilde euthanasie. Dat was destijds, 22 jaar geleden, een ingewikkeld en traag proces. De bureaucratie leek eindeloos. Hij voelde zich te veel in het gezin en wilde niet meer thuis, maar in een zorgcentrum wonen. Eenmaal daar geplaatst ging hij hard achteruit.
Nu begrepen we ook waarom hij daar wilde wonen, hij wilde ons de aftakeling besparen en ging minder eten, iedere dag was ik bij hem, maar uiteindelijk probeerde hij omdat de toestemming voor de euthanasie, door eindeloze procedures en gesprekken al meer dan een jaar duurde, zelf een poging zijn leven te beëindigen, door in zijn pols te snijden met een nagelschaartje. Gelukkig werd hij op tijd gevonden door de verpleging.
Pas toen drong de ernst van de situatie door tot de artsen. Eindelijk werd de euthanasie goedgekeurd. Mijn vader overleed op 18 oktober 2001, tien dagen na zijn 65e verjaardag. Hij had het altijd al gezegd: hij zou niet ouder worden dan 65.
Zijn laatste woorden waren aan mij gericht. Hij vroeg me om goed voor mijn moeder te zorgen. Ik beloofde het hem. En hoewel mijn moeder en ik altijd al een goede band hadden, bracht zijn dood ons dichter bij elkaar. Wij, twee tegenpolen, moesten nu samen verder.
Inmiddels zijn we onafscheidelijk. Mensen die ons samen horen praten, vragen soms of we ruzie hebben. Anderen zeggen dan: “Nee hoor, dat is hun manier van praten.” Wij begrijpen elkaar perfect. Hoewel ik in Essen België woon en zij in Noord-Holland, zien we elkaar iedere week en bellen we elkaar drie keer per dag. Onze gesprekken kunnen gerust twee uur duren, zelfs als we elkaar een uur eerder nog spraken. We gaan graag samen op vakantie, vieren feestdagen samen, en ik werk mee in de winkel die mijn moeder nog steeds met volle overtuiging draait. Ook zij heeft dezelfde instelling – niet lullen, maar poetsen – en ik weet zeker dat hij supertrots op ons is.
De diepe band die ik had met mijn vader, en nu met mijn moeder, heeft me gevormd tot wie ik ben. Het verlies van mijn vader heeft me doen inzien hoe belangrijk het is om verbinding te zoeken, juist in moeilijke tijden. Als afscheidsfotograaf probeer ik diezelfde verbinding vast te leggen in mijn werk. Beelden kunnen troost bieden, herinneringen tastbaar maken en verhalen vertellen die blijven bestaan.
Ik zou graag in contact komen met een uitvaartverzorger of iemand die werkt met rouw en/of (Levend)verlies. Samen kunnen we betekenisvolle momenten creëren en nabestaanden helpen met herinneringen die hen troost bieden. Mijn ervaring met verlies, mijn achtergrond als mantelzorger en mijn werk als afscheidsfotograaf maken dat ik geloof in samenwerking die verder gaat dan alleen werk – een samenwerking gebaseerd op echte verbinding.
Ben jij degene met wie ik samen dit waardevolle werk kan vormgeven? Laten we in gesprek gaan om te ontdekken of we een klik hebben en hoe we samen anderen kunnen helpen in hun proces van afscheid en rouw. Daar ik gewend ben aan lange afstanden rijden, zit ik niet gebonden aan een bepaald gebied, dus laat dat je absoluut niet weerhouden.
Ga jij me bellen??
06-53215499
